dinsdag 10 juli 2012

Heel voorzichtig benader ik....

het struikje waar het gekerm uitkomt. Eerst zie ik een paar vieze voeten, gestoken in een soort klompen met leren banden. Daarna volgt een paar benen, gestoken in al even smerige broekspijpen. Ook zie ik bloed liggen. En één been ligt wel in een heel vreemde hoek… Één ding is zeker: deze man zal mij niet achterna kunnen rennen, als het een gevaarlijk iemand blijkt te zijn. De man ligt met zijn gezicht naar de grond gekeerd en kermt zachtjes. Ik schuif wat struikgewas opzij en kijk in het gezicht van een jonge jongen. Hij heeft zijn ogen gesloten, maar probeert een oog te openen als ik zachtjes zijn lange haar opzij schuif. “Willem”, kreunt de jongen, “maak dat je wegkomt. Die mannen zijn woedend en dus heel gevaarlijk. Ren, nu het nog kan!” Dat laatste klinkt meer als een zucht en vermoeid sluit hij zijn ogen weer. Zijn gezicht is vertrokken van pijn. Wat kan ik doen? Goh, wat ben ik dom en naïef geweest om zo achter deze bende aan te gaan. Terwijl ik een oplossing probeer te vinden, hoor ik achter me heel zachtjes voetstappen naderen. Ik kijk heel voorzichtig over mijn schouder en zie een meisje naderen. “Willem, wat ben je aan het doen?” Zegt het meisje. “Ik zag je de kerk uitrennen en ben je gevolgd. Maar jij rent veel harder dan ik en roepen durfde ik niet.” Pas dan ziet ze de jongen liggen. Ze schrikt zichtbaar. “Is dat Klaas die daar ligt? Wat ziet zijn been er vreselijk uit!”. “Ja, ik denk dat zijn been gebroken is. Niemand van de bende heeft het blijkbaar opgemerkt, want hij lag hier toen ik hem vond. We moeten hem helpen. Hij is buiten westen, maar zojuist heb ik nog met hem gesproken.” De jongen – Klaas, blijkbaar – opent zijn ogen weer een klein beetje. “Ida, wat ben ik blij jou te zien. Het komt allemaal goed. Ook met ons.” En weer zakt hij weg. Ik kijk het meisje verwachtingsvol aan. “Ja, uhm, we hadden ruzie gisteren en hebben elkaar sindsdien niet meer gesproken. Ik heb het zelfs uitgemaakt, maar ik kan hem hier natuurlijk niet zo laten liggen.” Ida kijkt om zich heen, zichtbaar zoekend naar een oplossing. In de verte ziet ze een paar ezels lopen. “We moeten een soort draagbaar maken. Dan haal ik een ezel en kan hij Klaas naar het dorp slepen.” Omdat ik op dat moment geen beter idee heb, stem ik in. Van een paar lange, stevige takken maken we een frame en met bladertakken vlechten we een soort hangmat. Het duurt even voordat het klaar is, maar al met al is het een acceptabele oplossing. Ida heeft inmiddels al een ezel gehaald en nu komt het moeilijkste deel: Klaas op de draagbaar zien te krijgen. Met zijn tweeën proberen we hem op te tillen, wat nog lang niet meevalt. Door de pijn is Klaas niet langer bewusteloos, maar hij schreeuwt het uit. Ik stop een takje tussen zijn tanden, om te voorkomen dat iemand het hoort. Uiteindelijk ligt hij op de draagbaar en lukt het om de ezel ervoor te spannen. Ida werkt blijkbaar vaker met ezels, want voor ik het weet, loopt de ezel terug naar het dorp. Pas dan bedenk ik, dat mijn achterstand inmiddels ontzettend is gegroeid. Zonder verder achterom te kijken, zet ik het weer op een rennen. Ik denk nog wel even aan wat Klaas zei, maar ik kan niet anders dan de groep volgen. Eigenlijk ben ik hun enige hoop.

zaterdag 24 september 2011

Het duurt eventjes voordat iedereen beseft...

wat er zojuist is gebeurd. Er is geen volwassen man meer te bekennen in de kerk. Als door een speld geprikt, begint iedereen ineens door elkaar te roepen. “We moeten de schout waarschuwen!” “Snel, naar buiten! Misschien kunnen we ze nog volgen!” “Nee, dat gaat niet, ik heb de schout ook de kerk binnen zien gaan.” Het lijkt wel een kippenhok en het lawaai wordt alleen maar erger en ongestructureerder. Ondertussen baan ik mij een pad naar de kerkdeuren en kijk naar buiten. Heel in de verte zie ik de groep mannen in een snelle looppas door de velden trekken, vergezeld van mannen met grote stokken en speren. Waar zouden ze heen worden gebracht? En wat staat hun te wachten? Ik kan het niet uitstaan dat niemand van de vrouwen concreet actie onderneemt, terwijl hun mannen steeds verder richting de horizon verdwijnen. Ik besluit tot actie over te gaan en zet het op een rennen. Gelukkig blijkt mijn conditie in dit lichaam beter te zijn dan mijn eigen conditie en al snel zie ik, dat ik heel langzaam op de mannengroep inloop. Maar zij zijn inmiddels al minstens een half uur onderweg en ik ren maar iets sneller dan hen, dus heel snel loop ik niet in. Bovendien moet ik ervoor zorgen dat ze me niet zien. Maar dat realiseer ik pas als ik één van de ontvoerders achterom zie kijken. Ik weet niet hoe snel ik in het hoge gras naast het pad moet duiken. Ik durf niet meteen op te kijken en hou me even stil. Als het goed is gegaan, was het op het randje! Ik zal een ander pad moeten kiezen, want op deze manier behoor ik zo meteen ook tot de mannengroep. Eigenlijk ben ik wel heel onvoorbereid op pad gegaan, realiseer ik me nu. Wat kan ik in mijn eentje nu beginnen tegen zo’n groep sterkte mannen? Zelfs onze mannen lijken bang voor hen te zijn. Maar veel tijd om na te denken heb ik niet, want wat ik sowieso niet wil, is ze uit het oog verliezen. En dus besluit ik dat dat mijn doel is: uitzoeken waar de mannen heen worden gebracht. Daarna zal ik teruggaan naar het dorp om hulp te halen. Het pad dat de mannen volgen is inmiddels de heuvels in getrokken, wat mij de mogelijkheid geeft om een veiligere route te kiezen. Maar ik ken dit gebied natuurlijk niet en hoe voorkom ik dat ik ze uit het oog verlies? Dat risico wil ik eigenlijk ook niet lopen en dus zoek ik naar een andere oplossing. Gelukkig is er veel hoog struikgewas naast het pad en daar kruip ik in om even op adem te komen. Terwijl ik in de struiken zit, zie ik aan de andere kant van het struikgewas ook licht. Ik kruip door de struikjes heen en kom aan de andere kant bij een weide. Als ik aan deze kant langs het struikgewas blijf, kan ik de mannengroep wel in de verte horen, maar ze kunnen mij niet zien. Vol goede moed zet ik het weer op een rennen, tot ik na een paar kilometer gekerm uit de struiken hoor.

vrijdag 16 september 2011

Maar precies op het moment dat...

De dominee de preekstoel beklimt, klinkt er van achter uit de kerkt een heel harde knal, gevolgd door een schuivend geluid. Iedereen kijkt verschikt op of duikt in een reflex tussen de kerkbanken. De kerkdeuren, die nog op en stonden, zijn de oorzaak van de luide knal. Een gevaarlijk uitziende man heeft ze hard dichtgeslagen en meteen vergrendeld met een stevige houten balk. Juist op dat moment staan er overal in de kerk in eerste instantie onopvallende mensen op, die hun cape afgooien. Ook deze mannen zien er bepaald niet vriendelijk uit, dus er het is wel duidelijk dat ze bij elkaar horen. Een angstig gevoel zindert door de kerk. Even blijft het stil en dan loopt de man die de deuren heeft gesloten, dezelfde route als de dominee nog geen minuut geleden heeft gedaan. Als hij voorin de kerk is, beklimt hij de preekstoel. Even klinkt er gemompel door de kerk. Wat een lef! De preekstoel mag uitsluitend door de dominee worden beklommen! Als de man zijn plek heeft ingenomen, schraapt hij zijn keel en balt zijn vuist. `Vrome burgers, jaja. Door de week werken jullie hard, dat is waar. Maar tegelijkertijd brengen jullie je zuurverdiende loon naar de herberg of naar de kerk. En dat terwijl jullie vrouwen en kinderen lijden! Zie ze nu zitten, die hardwerkende arbeiders, hun hoofden nog zwaar van de drank van gisteravond, maar keurig gebogen tussen de kerkbanken. Laat me niet lachen. Het is tijd voor verandering!´ En terwijl hij deze woorden door de kerk rollen, worden alle mannen uit de kerkbanken getrokken. Ze moeten in het gangpad gaan staan, met het gezicht naar de muur. Pas dan blijkt de kracht en de omvang van de verzetters, want met grote knuppels en hakbijlen zorgen ze voor veel ontzag van de gezinsvaders. ´Vrouwen en kinderen!´, roept de leider, ´Buig allen jullie hoofd en kijk niet op of om. Wij laten binnenkort meer van ons horen.´ En met die woorden worden de kerkdeuren weer ontgrendeld en worden de mannen in rijen van twee naar buiten geleid, het waterige winterzonlicht in. Na een paar minuten durf ik voorzichtig mijn hoofd op te lichten en zie dat in de hele kerk geen enkele volwassen man meer te vinden is. De open kerkdeuren verraden wat er zojuist is gebeurd, maar niemand lijkt het nog te kunnen bevatten.

maandag 5 september 2011

Al dagdromend merk ik ineens...

...dat we een dorpje zijn genaderd. Groot is het niet, maar het voelt wel goed en wat mij meteen opvalt zijn de kleine huisjes en de ontzettend grote kerk. Het is gek, maar het lijkt net of de kerk met opzet torenhoog boven de rest wil uitsteken. Tegelijkertijd biedt het ook een soort bescherming aan de kleine huisjes die eromheen staan. Verder zie ik een bakkerij en een smederij. Winkeltjes kennen ze in deze tijd natuurlijk nog niet, maar ik herken de bakkerij vooral aan de heerlijke geuren die uit de deur naar buiten komen. en de bakkerskar voor het raam. Voor de smederij staat een aantal paarden. En hoewel het zondag is, is de smid wel druk aan het werk. De deuren van zijn werkplaats staan open en ik zie zijn bezwete hoofd opkijken als ons kleine stoetje langsloopt. Alle kinderen groeten de smid enthousiast, dus het zal wel een goede bekende zijn. Ik doe dus al even enthousiast mee en uitgelaten komen we bij de kerk aan. Meteen zie ik de gezichten van de kinderen veranderen van blij en vrolijk in serieus. Bij de deur staat de dominee en alhoewel ik begreep dat dit de vader van het gezin is, merk ik weinig herkenning. Hij begroet ons net als de andere kerkgangers en alleen de jongste strijkt hij even zachtjes over zijn hoofd. In de kerk schuiven we met zijn allen in een lange kerkbank. De voorste banken zijn al bezet door wat waarschijnlijk de ‘gegoede burgerij’ is. Met hoedjes op en chique pakken aan steken ze sterk af bij de rest van de bezoekers. Ik zit op de laatste plek van de bank, tegen het gangpad aan. Als ik naar links kijk, zie ik dat de kinderen van klein naar groot op de bank zijn geschoven, met de moeder naast het jongste kind. Het was nog niet eerder tot me doorgedrongen, maar blijkbaar ben ik dus de oudste. Dat brengt natuurlijk verantwoordelijkheden en verwachtingen met zich mee. Ik kijk nog even naar de achterste banken en zie dat de kerk tot de laatste plek toe gevuld is. Dan wordt de kerkdeur gesloten en staat iedereen op. Terwijl de dominee naar voren loopt, buigt plechtig zijn hoofd. De dienst zal zo wel beginnen, denk ik nog…

dinsdag 30 augustus 2011

“Ben je daar eindelijk weer?”

Vraagt de moeder, “we zitten allemaal op je te wachten. Kom, we gaan meteen weg.” En inderdaad, alle kinderen zitten in hun warme en waarschijnlijk voor hen hun netste kleren en klompen aan te wachten. Snel warm ik me nog net even op bij de kachel, maar iedereen loopt al naar buiten, dus ik volg hen maar. Het is een hele optocht zo, met al die kinderen. Terwijl ik achteraan sluit, zie ik dat de moeder zich ook wat inhoudt. Als ze naast me loopt, vraagt ze: “Wat is er toch met je? Je bent vanochtend zo afwezig en verdwaasd. Net of je jezelf niet helemaal bent. Voel je je wel goed?” Ze moest eens weten… Maar ik haast me te zeggen dat ik me prima voel, maar gewoon niet zo goed geslapen heb. Ik moet dus wel even oppassen, want blijkbaar ben ik als Willem toch wat anders dan hoe ik me nu gedraag. En de waarheid zal ik nog maar niet vertellen, want ik heb veel boeken over deze tijd gelezen en over het algemeen gaan ze hier niet heel gemakkelijk om met onverklaarbaarheden. Terwijl ik dat denk, lopen we langs het galgenveld. Hoe toepasselijk… En zo te zien wordt er ook niet geschroomd om het te gebruiken. De kraaien en andere roofvogels hoeven er in ieder geval niet te verhongeren. Ik moet echt wel oppassen dat ik me niet verspreek en ondertussen een oplossing zien te bedenken hoe ik hier weg kom. Aan de andere kant: wie krijgt nu de kans om écht zo’n leven te beleven? Als ik ooit terugkom in mijn eigen tijd, heb ik wel echt wat te vertellen. Tot dan zal ik dus mijn ogen en oren goed open houden en proberen te genieten van alles wat ik nu beleef. Die gedachte zorgt ervoor, dat ik me een stuk vrolijker voel en tegelijkertijd begint een vaal winterzonnetje te schijnen. Ach, zo slecht is het hier eigenlijk allemaal niet!

vrijdag 19 augustus 2011

Zo, hè hè, even tijd voor mezelf.

Wat is er gebeurd? Waarom ben ik hier, in deze tijd, in dit lichaam en op deze plek? Ik probeer me te herinneren wat ik gisteravond heb gedaan, maar verder dan hoe ik heet en hoe mijn huis er uitziet, kom ik niet. Wat ik me nog wel herinner is, dat ik de laatste tijd van die vreemde dromen had. Ik droomde over dit leven. Over dit huis en over wie ik nu ben. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ik me hier wel op mijn gemak voel. Alleen die mensen, blijkbaar mijn familieleden, had ik nog nooit gezien. De dromen werden de laatste tijd ook intenser en echter. Maar ik besteedde er niet teveel aandacht aan, want ik heb wel vaker van die droomperiodes. Terwijl ik zo loop na te denken, merk ik dat ik inmiddels al een aardig eindje van het huisje ben weggelopen. Ineens realiseer ik mij, dat mijn voeten wel erg koud beginnen te worden. Ik kijk naar beneden en zie dat de klompen die ik op goed geluk bij de deur had aangetrokken, lek zijn. De sneeuw dringt mijn klompen binnen en trekt het gevoel uit mijn voeten. En niet alleen mijn voeten zijn koud… Waar ik vandaan kom, was het zomer, dus ik heb er niet over nagedacht om een jas aan te trekken. En de witte adempluimpjes uit mijn mond verraden, dat het hier toch flink vriest. Er is verder eigenlijk ook niet veel te beleven en ik heb ook geen zin om hier ziek te worden, dus ik besluit terug te lopen. Om een beetje warm te worden, huppel ik wat. Maar dan realiseer ik me weer, dat ik een jongen ben en jongens huppelen niet. Ik zet het op een rennen en even later stap ik weer de weldadige warmte en gezellige drukte van het huisje binnen.

dinsdag 16 augustus 2011

Het duurt niet lang...

...Of er klinkt meer gestommel vanachter de bedsteedeuren. De deur van de bedstee waar het blonde meisje net uitkwam gaat open en de drie overgebleven kinderen strompelen uit bed, terwijl ze nog druk de slaap uit hun ogen wrijven. Tegelijkertijd klinkt ook vanuit de andere hoek van de kamer het geluid van kinderstemmen en ook daar kruipen drie kinderen hun bed uit. Ineens is de kleine ruimte bomvol en is het gedaan met de rust. Een waterval van stemmen en andere geluiden overvalt me. Dit ben ik als enigst kind niet gewend. De moeder is ondertussen druk bezig met het klaarzetten van kommen voor de pap en het geven van instructies aan de oudste kinderen. “Klaasje, help jij Pieter eens om zijn kleren aan te trekken en doe ondertussen zelf ook wat fatsoenlijks aan. Het is zondag, dus trek je goede goed maar aan. Kees, je bent toch niet van plan om in die kleren naar de kerk te gaan? Dat kan niet hoor, trek je netste en schoonste kleren aan, want vandaag is een speciale dag. Vader preekt voor het eerst vandaag.” Zo gaat het nog een tijdje door en ieder kind weet binnen de kortste keren wat hij of zij moet doen. Intussen denk ik na over wat ik zojuist heb gehoord. De vader is dus dominee en daarom nu niet thuis. Ik besluit even de drukte te ontvluchten en nadat ik mijn kom pap heb leeggegeten ga ik naar buiten. Ik hoor nog net dat de moeder me achterna roept: “Alsjeblieft, Willem, haal geen gekke dingen uit. Je hebt je nette goed aan. En denk om de tijd; over een half uur moeten we al weg!” Maar dat laatste hoor ik al haast niet meer, want een sterke windvlaag rukt de deur uit mijn handen en slaat hem dicht.